Skip to content

A Midsummer Night’s Dream

V,i The Palace of Theseus, Athens

Wall
In this same interlude it doth befall
That I, one Snout by name, present a wall;
And such a wall, as I would have you think,
That had in it a crannied hole or chink,
Through which the lovers, Pyramus and Thisby,
Did whisper often very secretly.
This loam, this rough-cast and this stone doth show
That I am that same wall; the truth is so:
And this the cranny is, right and sinister,
Through which the fearful lovers are to whisper.

Pyramus
O grim-look’d night! O night with hue so black!
O night, which ever art when day is not!
O night, O night! alack, alack, alack,
I fear my Thisby’s promise is forgot!
And thou, O wall, O sweet, O lovely wall,
That stand’st between her father’s ground and mine!
Thou wall, O wall, O sweet and lovely wall,
Show me thy chink, to blink through with mine eyne!

Wall holds up his fingers

Thanks, courteous wall: Jove shield thee well for this!
But what see I? No Thisby do I see.
O wicked wall, through whom I see no bliss!
Cursed be thy stones for thus deceiving me!

Enter Thisbe

Thisbe
O wall, full often hast thou heard my moans,
For parting my fair Pyramus and me!
My cherry lips have often kiss’d thy stones,
Thy stones with lime and hair knit up in thee.

Pyramus
I see a voice: now will I to the chink,

* * *

Muur
En zo geschiedt het in dit rust’ge uur,
Dat ik, Snuit van naam, fungeer als muur.
En wel een muur, zoals ge weet,
Met een nauw zichtbaar gaatje of kleine … chink.
Pyramus en Thisbe fluisteren hierdoor
Lieve woordjes in elkanders oor.
Aan deze leem en keien kunt ge zien
Dat ík deze muur ben, misschien.
Door deze opening, klein en duister
Horen wij der geliefden angstig’ gefluister.

Pyramus
O, grim’ge nacht, als inkt zo zwart!
O nacht die den Zon heeft gedoofd.
O nacht, O nacht, voelt gij mijn smart?
Zal Thisbe doen wat zij heeft beloofd?
En gij, O muur, O zoete muur,
Die haar vaders grond van de mijne scheidt,
Gij muur, O muur, O lieve, dierb’re muur,
Toon mij uw, eh, chink, waar ik ’t oog tegen vleid.

Muur houdt de vingers op

Dank, hoff’lijke muur, niets make u ooit stuk.
Maar, wat sien ik? ’K zie alles behalve Thisbe!
Gij nare muur, gij gunt mij geen geluk!
Vervloekt uwe stenen, er is toch niets da’k mísdee?

Thisbe komt op

Thisbe
O muur, hoe vaak hebt gij mij horen wenen?
Telkens stond gij tussen Pyramus en mij.
Mijn rode lippen kusten dikwijls uwe stenen.
Vervloekte muur, gaat eindelijk opzij!

Pyramus
Ik zie een stem: op nu naar de, eh, chink.

Allen
Enough of this nonsense now, I think!

Loekie, Joy, Anita, Jan, John, Jean

[Back to Durham 2008 Workshop page]